De politiek is op zoek naar miljarden. Feitelijk zoeken ze naar zogenaamde “quick wins”. Terwijl de echte opportuniteiten in de diepte zitten. Dat vereist echter een blik op de obstakels die meestal niet-technisch, maar politiek-economisch en institutioneel van aard zijn. Zo heeft iedereen de mond vol inzake preventie. En inderdaad kan de potentiële baat ervan nauwelijks overschat worden. Zowel in levenskwaliteit als in uitgespaarde kosten. Maar de realiteit is dat er veel obstakels bestaan voor preventie in onze huidige gezondheidszorg. Probeer maar eens een preventief centrum op te starten buiten het ziekenhuis. Met een gemengd team van artsen, diëtisten, kinesisten, verpleegkundigen. Je zal snel merken hoe ons huidig kader inzake ziekteverzekering en regulering dergelijk initiatief in problemen brengt. En bereid u voor op hallucinante discussies met de administratie. Want actief zijn in de gezondheidszorg betekent klassiek dat er iemand ziek moet zijn en daar wordt iets aan gedaan. Iemand die (nog) niet ziek is, begeleiden om gezondheidsproblemen te vermijden? Oeps, dan heerst grote onzekerheid welke regels toepasselijk zijn. Met alle gevolgen inzake rechtsonzekerheid.
Curatief
Ons systeem is historisch ingericht op curatieve zorg, diagnose, behandeling en genezing van bestaande aandoeningen. Preventieve initiatieven – zoals een multidisciplinair centrum met artsen, diëtisten en kinesisten voor gezonde mensen – vallen vaak buiten de nomenclatuur (de lijst van terugbetaalbare prestaties). Denk aan complexe en trage procedures. Om terugbetaling te krijgen, moet een initiatief rigide criteria halen, zoals opname in de RIZIV-nomenclatuur. Dit vereist overleg met stakeholders (ziekenfondsen, beroepsverenigingen), wat vaak maanden tot jaren kan duren. Buiten het ziekenhuis is dit nog moeilijker.
Denk ook de fragmentatie door federalisme. Omdat de federale overheid terugbetaling regelt, maar de gewesten bevoegd zijn voor preventie en eerstelijnszorg, zijn er hiaten. Een preventieproject in Vlaanderen moet federaal goedgekeurd worden voor terugbetaling, maar voldoet niet altijd aan regionale normen. Stellen dat er conservatisme is in het systeem is een understatement van jewelste. Waarbij de nomenclatuur trager evolueert dan de medische innovatie zelf.
Initiatieven voor telemonitoring (bv. voor hartfalen, diabetes, COPD, bloeddrukmeting) werden al in 2015 opgestart en acht jaar later werd het pas opgenomen in de nomenclatuur en dan nog enkel voor hartfalen.
Niet alleen RIZIV-terugbetaling maar zelfs rechtszekerheid inzake BTW-regelgeving levert in dit land ellenlange discussies op met vaak inconsistente afspraken. Vlaams maar zeker ook federaal lijkt er weinig prioriteit gegeven te worden aan innovatie. Hiertoe is erkenning vereist over de verlammende werking van bureaucratie en weerstand van gevestigde belangen tegen vernieuwende verdienmodellen. Er is bij de minister van volksgezondheid heel weinig respect voor het vrije ondernemerschap en het belang daarvan om nieuwe initiatieven te vermenigvuldigen. Wel zagen we onder zijn bewind een enorme toename in arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en mensen met verhoogde tegemoetkoming die het systeem onder druk zetten. Eenzijdige responsabilisering van bedrijven met veel langdurig zieken zonder elders in te grijpen lijkt ook dweilen met kraan open.
Vernieuwing
Een dynamische maatschappij is er een die niet in de eerste plaats ten dienste staat van gevestigde belangen maar het belang beseft van de continue vernieuwing van het economisch weefsel. Die zal onder meer waken over het bestaan van te hoge toetredingsbelemmeringen die gevestigde belangen graag oprichten om de markt af te schermen. Sommige landen zijn ontvankelijker voor lobbykrachten die dergelijke barrières opwerpen dan andere. Vaak zijn er aanlokkelijke redenen om allerlei vereisten te decreteren waaraan nieuwe deelnemers moeten voldoen, maar ervaring leert dat heel snel de markt volledig dichtgetimmerd geraakt. Ons land blijkt erg vatbaar voor de lokroep van het corporatisme.
Preventie staat of valt niet met de overheid die een ‘preventiefonds’ opricht. Wel wezenlijk is ondernemerschap dat vooral vereenvoudigde procedures, administratieve soepelheid en rechtszekerheid vereist. De politiek dient haar oogkleppen af te zetten en heeft nog een leertraject te gaan om ook het belang van extramurale geneeskunde te erkennen voor innovatie en preventie.